Van Brier naar bier

Als we iemand aan deze kant van de oceaan spreken, is een van de eerste vragen die we krijgen: “So you did the Atlantic Crossing?”. Veel mensen vinden dat heel dapper. Ze denken aan storm, hoge golven, misschien zelfs aan koude en natte nachten op zee. Voor sommige zeilers hoorde dit ook bij de grote oversteek. Wij echter hebben de hele oversteek op onze luie reet in de zon gezeten. De tocht van Bermuda naar Nova Scotia was veel spannender, om nog maar niet te spreken van het relatief korte tripje van Nova Scotia naar Maine (althans, dat was de planning) in oktober. Dat was veruit de vervelendste zeiltocht tot nu toe, maar het leidde wel tot de mooiste ervaring – overwinteren op Brier Island.

Het verlaten van ons eiland was moeilijk vanwege het afscheid van al die lieve mensen. Maar we moesten Canada voor 16 juni verlaten, dus we planden een datum. Maandag 10 juni wilden we om 11 uur vertrekken om op het juiste getij uit te varen. Met opkomend water zouden we zo langs het eiland drijven. We waren natuurlijk nog niet klaar met uitpakken dus de laatste dozen smeten we in de punt voordat we de lijnen los gooiden. Op tijd vertrekken is gelukt.

Opa, Wouter en een paar andere mensen zwaaien ons uit vanaf Northern Point.

En dan! Zeilen! Na acht maanden is dat ineens weer een hele klus. Nou ja, niet op de dag van vertrek, want het is een windstille dag in de Bay of Fundy. En dat is maar goed ook. Op de daaropvolgende trip (mét wind) blijkt dat onze geoliede vertrekkersmachine een beetje roestig is geworden. Glazen rinkelen door de kastjes, het extra blad schuift onder de tafel uit, laatjes schieten open en spullen tuimelen door de boot. Gelukkig denk ik wel aan het slikken van pillen want dat zeeziekte echt alle plezier kan verpesten, dat zien we aan Djogo. Het arme beestje zit tussen het overgeven door bij me op schoot en kijkt me doodongelukkig aan.

Hans daarentegen is zo blij als een kind. Dinsdag 11 juni plannen we de route van Grand Manan naar Eastport (VS). De wind en stroming wijzen een andere kant op en Hans stelt voor naar Jonesport te zeilen. Dat is een stuk verder weg, maar dan hebben we stroom mee en de wind komt uit een gunstige hoek. Met negen knopen stuiven we langs Grand Manan. Hans grijnst van oor tot oor. Hij trimt de zeilen, stuurt voor de lol op het handje, wijst me op alle puffins (papegaaiduikers) en zeehonden en fluit er vrolijk op los.


Het werkt aanstekelijk. Langzamerhand laat ik mijn somberheid varen. Afscheid is niet leuk, een zeezieke Djogo is ook niet leuk, maar het leven aan boord is wél leuk. We zijn weer met zijn drietjes in onze eigen kleine wereld, op ontdekkingsreis in de grote wereld.

Als de hengel tevoorschijn komt, vindt Djogo het ook weer leuk!!

En de wereld is mooi. Ook Amerika. In Jonesport kunnen we inklaren. De customs officer moet uit Lubec komen en vraagt wat verwijtend waarom we niet in Eastport zijn ‘geland’. Gelukkig vindt hij het niet heel erg en hij is beleefd en vriendelijk bij het doorzoeken van de boot. Hij opent alle kastjes en komt dan bij de punt. Oei… die staat dus vol met dozen en rommel. Even twijfelt de beste man. Hij wil het ons niet aandoen om alles weg te halen zodat hij onder de bedden kan kijken. Hij draait zich al om, maar bedenkt zich – plichtsgetrouw wil hij toch zijn lijstje nalopen – en zich excuserend vraagt hij of hij toch ‘even’ kan kijken. Dus daar gaan we. Doos na doos verplaatsen we van de punt naar de tafel in de kajuit, de bank, de stoelen, door naar achteren, tot de punt leeg is. Nee, er is niets te zien onder de bedden (allemaal reservespullen voor de boot)… De officer laat ons achter in de chaos maar dat geeft niet, want we hebben onze cruising permit! Tot december mogen we in de VS blijven.

De punt.

Jonesport is een klein vissersplaatsje. De mensen zijn er net zo vriendelijk als in Westport. Uiteraard moet er meteen geklust worden, want zo gaat dat bij het zeilersleven. De buitenboordmotor doet het niet meer. We roeien naar de scheepswerf waar Hans mag klussen.

In zijn achteruit doet-ie het wel.

Helaas is er echt iets stuk. Gelukkig is er een Yamaha dealer in Jonesport en deze man heeft toevallig eenzelfde oude Mariner buitenboordmotor uit de jaren 80 liggen. We ruilen onze kapotte onderdelen tegen zijn werkende, maken wat praatjes met de vissers die er rondlopen en voor we het weten brengt iemand onze motor terug naar de scheepswerf. Fijn weer hoor, lieve mensen om ons heen! Wij stappen weer op de fiets en gaan, een paar honderd dollar lichter, dat wel, terug naar de boot.

We zijn weer heel blij met onze fietsen. Boodschappen doen kan niet in Jonesport, dus we fietsen naar het volgende dorp voor wat vers fruit en bier. Jaaaaa, bier. In Canada wordt veel belasting geheven op alcohol. Hans stond op rantsoen want een kratje bier kost in Canada 50 dollar. Die grijns van Hans werd nog een beetje breder bij het zien van de Amerikaanse prijzen. We weten nu hoeveel blikjes er in een rugzak passen. En dat dat best zwaar is 🙂 . En dat het mooiste leven op Brier is, maar dat het ook mooi leven met bier is!

One thought on “Van Brier naar bier

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.