Op expeditie

Domburg is heel gezellig, maar net zo spannend als het klinkt. Hollands dus. Allemaal zeilers om ons heen, een stamkroeg, de dartclub. Hans was meer uit dan thuis en ik zat bij de kat ( 🙂 ). Bevriende zeilers gingen de Commewijne op en vertelden enthousiast over die rivier. “Daar wil ik ook naartoe!!”, zei ik tegen Hans. Voor ik het wist, was het geregeld. Samen met de Maaike Saadet vertrokken we donderdag 25 januari.

De Commewijne is een zijrivier van de Surinamerivier. Van Domburg vaar je naar Paramaribo en dan ga je niet rechtdoor de Atlantische oceaan op, maar rechtsaf. En dan betreed je een andere wereld. Zo groen, zo stil, zo mooi! Vol verbazing en heel blij kijken we om ons heen. Na een paar uur varen gooit de Maaike Saadet het anker uit, en wij gaan langszij liggen. We hebben nog geen dieren gezien en nog geen dorpje bezocht, maar we zijn nu al onder de indruk.

De volgende dag verlaten we de Commewijne. Deze rivier gaat over in de Cottica. Langs de Commewijne liggen plaatsen met namen als Nieuw-Amsterdam en Alkmaar. We gaan weg uit de Nederlandse zone. Dorpen langs de Cottica hebben namen als Wanhatti (‘één hart’), Pikin Santi (‘klein zand’) en Langa Hoekoe (die mogen jullie zelf vertalen). Voor we daar zijn, is het mijlenlang onbewoond. We hebben een doel: we willen apen zien! We leggen onze boten op de Pericarivier en gaan op expeditie.

De Pericarivier is veel smaller dan de Commewijne, dus aan beide zijden zijn we nabij de bomen en struiken. We turen ingespannen tussen de takken. De motor van de bijboot brult. Boven ons zien we allerlei vogels vliegen. Langs het water zien we veel wevernestjes; in dorre boomtakken, in struiken en in palmbomen. Wat een kunstwerkjes.

Als we nog eens goed omhoog kijken, zien we dat het toekans zijn die heen en weer vliegen. Toekans! Wauw! Die heb ik nog nooit gezien. Ik dacht dat het vrij grote vogels waren. Het zijn echter kleine vogeltjes met naar verhouding dan toch wel een grote snavel.


Goed kijken, dan zie je er twee!

Onze expeditie is nu al geslaagd. We zetten de motor uit en laten ons op de stroom terugdrijven. Vol bewondering kijken we naar nog meer mooi gekleurde vogels, papegaaien, ara’s en vele vlinders. We zien zelfs een wandelend blad. Het groen weerspiegelt in het water. Wij zijn stil; al het geluid komt uit de jungle en dat is heel indrukwekkend.

Nog steeds willen we apen zien. Zodra we de volgende dag in de Koopmanskreek liggen, stappen we weer in de expeditieboot. We hebben twee verrekijkers bij ons en dit keer ook een koeltas met biertjes, want je wordt dorstig van zo’n ontdekkingstocht! We besluiten een stukje te varen en dan de boot tegen een tak of struik te leggen om wat te drinken en te snacken. We passeren een grote tak in het water waarachter allemaal bladeren en kleine takjes liggen. Plotseling roept Jacco: “Een kaaiman!!”. Hij legt de bijboot stil en hij probeert ons aan te wijzen waar de kaaiman ligt. Wij staren, turen en kijken. Dan zie ik hem ook. Wat een schutkleur heeft dat beest! Hij ligt doodstil. Kijk maar eens mee:

Als je hem eenmaal ziet, is het duidelijk. Je ziet het oog, de bek, en de geschubde staart.

Opgewonden varen we verder. We hebben een kaaiman gezien! Wat brengt ons de volgende tocht? Die tocht maakt ons weer stil, maar dan op een andere manier. We bezoeken Pikin Santi. Met een fles rum voor de kapitein (‘burgemeester’) van het dorp en een bal voor de kinderen gaan we aan land. Het eerste wat we zien, is een kind dat zich in een kapotte vrieskist heeft verstopt. Deze kist staat naast de rivier. Het is wat vervreemdend, maar ook best een grappige binnenkomer.

Op de oever, links van de boom, staat de vrieskist.

We vragen naar de kapitein. Er wordt een jonge vrouw gehaald. Zij is niet de kapitein, maar zij spreekt goed Nederlands. De kapitein blijkt al een tijdje naast ons te staan, maar hij komt verlegen over en hij spreekt niet zo goed Nederlands. Op zijn knalgele T-shirt staat ‘Kansen voor de kansarmen’. Ik had geen sjieke man verwacht, ook geen man met mooie tatouages of verenkettingen, maar een kapitein met een T-shirt met deze opdruk was toch wel het allerlaatste wat ik had verwacht. De vrouw vertaalt wat wij vragen en zegt dat we het dorp mogen bezoeken. Ze roept een jongen en vraagt hem om ons wat te laten zien. In Pikin Santi wonen 62 mensen. Ze wonen in kleine huizen (misschien eerder hutjes). Iedereen hangt wat rond. Het lijkt niet of er veel te doen is. Een groepje vrouwen is bezig cassave te raspen. Van het meel maken ze platte broden. De jongen brengt ons bij een meneer die lekker in zijn hangmat ligt. Hij komt er meteen uit om met ons te praten. Voor zijn huis staat een piepklein hokje van gaas waar twee blauwe papegaaien in staan. Naast het huis van de buren staat een vergelijkbaar kooitje met een rode vogel er in. Een kind krijgt een klap met een stok en schreeuwt. De jongen die ons rondleidt, laat merken dat hij nog iets wil laten zien. Het blijkt ‘het huis van de blanken’ te zijn. Het is een stenen huis.

De jongen en een vriendje gaan lachend op een bed zitten en laten het toilet zien, wat ze erg grappig vinden. De blanken zijn er al een poosje niet. Vreemd hoor, zo’n huis aan de rand van het dorp; de overige huizen zijn klein en gammel, gemaakt van houten planken en golfplaten.

Op de terugweg krijgen we een cassavebrood van een vrouw die bij de hete plaat zit waarop vier broden gebakken worden. Vol van indrukken en zeer bewust van onze rijkdom gaan we terug naar de boot.

Onze volgende stop is het dorp Tamarin. In Pikin Santi hoorden we dat hier de school staat waar kinderen uit alle omliggende dorpjes naartoe gaan. Op de kaart denken we te zien dat dit een grotere plaats is. We hopen op een winkel om wat groente en fruit te kopen. We leggen de boten vast en wachten tot de school uit gaat. De kinderen kijken verbaasd naar onze boten, ze lachen en zwaaien. Ze doen hun zwemvest aan en stappen in de korjaal die hen naar huis brengt.

Wij gaan aan wal. Bij de school worden we ontvangen door de meester van groep 7, een jonge leraar. Hij maakt meteen een foto van ons voor zijn schoolleider die er helaas niet is. Daarna leidt hij ons door het plaatsje. De benedenverdieping van de school bestaat uit zeven klaslokalen. Groep 1 en 2 zijn samengevoegd. Op de bovenverdieping wonen de leerkrachten.

Verder op het terrein staan een paar huizen, onder andere van de interieurverzorgsters. En dat is het hele dorp. Op school zitten 45 leerlingen. In de meeste klassen zitten slechts vijf leerlingen. De leerkracht legt uit dat dit het gebied van de Aucaners is. Deze mensen krijgen weinig kinderen. De Saramaccaners krijgen veel kinderen en als je in hun gebied als leerkracht werkt, heb je soms wel 50 kinderen in je klas. Ook in Paramaribo zijn de klassen groot. Als je klaar bent met de Pabo, moet je drie jaar in het binnenland werken voor je ergens anders mag solliciteren. Dat wil niet iedereen. Het meisje achter de bar in Domburg is nog bezig met de Pabo en zij vertelde dat ze straks waarschijnlijk werkloos thuis zit, net als veel andere pas afgestudeerde leerkrachten. In het binnenland zit je ver van je vrienden en familie. Zij vertelde ook dat alleen Creolen les willen geven aan Creoolse kinderen. Dit gaat niet voor iedereen op, want de leraar van groep 7 is Hindoestaans (evenals het barmeisje).
Na dit verhaal leidt de jonge leraar ons rond. Bescheiden en zich verontschuldigend als hij iets niet weet, beantwoordt hij onze vragen. We leren verschillende vruchten kennen die op het terrein aan de bomen groeien.

Maripa


De maripaboom

Boodschappen doen ze in de stad (Paramaribo). Om daar te komen moet je, tenzij je een auto hebt, eerst een uur met de korjaal naar Wanhatti of anderhalf uur naar Moengo. Daar kan je met de bus verder. Het is dan nog twee tot tweeënhalf uur rijden als ik het goed heb begrepen. Er worden dus niet zo vaak boodschappen gedaan. De mensen eten rijst met kip of rijst met vis. Als we terug zijn bij de school, zegt de leraar dat de kinderen heel nieuwsgierig zijn als er zeilboten langskomen. Dat gebeurt niet zo vaak. We beloven dat we terugkomen, en dan tijdens schooltijd.

We zijn intussen pas vier dagen op deze tocht, maar het lijkt veel langer. We zijn echt helemaal uit de wereld zoals wij die kennen. We varen verder. Bij dorpjes zien we mensen de afwas doen in de rivier, of de was, of ze nemen een bad.

In het éne dorp komt iedereen aanrennen als wij langsvaren en dan zwaaien we lang naar elkaar. In het andere dorp kijkt men even naar ons en draait zich dan om. Sommige dorpen zien er armoedig uit, andere lijken daarmee vergeleken welvarender.

Arm?


Rijk?

We varen de Coermotibo op en zien een trappetje in het water staan. Tot nu toe leek de bebossing van de oever ondoordringbaar. We kijken elkaar aan. Gaan we dit doen? Op jungletocht? Zodra we aan de Maaike Saadet vastliggen, vragen we of zij het ook hebben gezien. Iedereen is in voor avontuur en zo stappen we weer snel in de oranje expeditieboot. Hans heeft zijn machete mee voor het geval we ons een weg door de jungle moeten banen. Er blijkt echter een soort van pad te zijn.

Na een spannende wandeling langs zwiepende takken, scherp, plakkend gras en over niet-zo-stabiele planken en boomtakken over het moeras, komen we bij een laagbegroeid stuk land. Zijn dit de kostgrondjes? De mensen uit de dorpen gaan regelmatig naar hun kostgrondje om groente te verbouwen. Het regenwoud wordt gekapt en soms platgebrand, waarna ze de grond kunnen gebruiken. Als de aarde is uitgeput, neemt het oerwoud het weer over en maken de mensen ergens anders hun kostgrondje. Het ziet er hier uit of het regenwoud alweer een poosje de baas is.

Rustig lopen we weer terug naar de rivier. Ik loop achteraan. Plotseling staan we stil. Ik zie Hans naar boven kijken en volg zijn blik. Helaas zie ik niks. Vragend kijk ik hem aan. ‘Apen!’, zegt hij. Weer kijk ik omhoog. En dan zie ik takken bewegen, bladeren wuiven, en ja… er springt een aap van de éne naar de andere boom! En nog meer apen ontwaar ik tussen het gebladerte. Wauw!!!!


Het zijn kleine aapjes, doodskopapen. Pas als de laatste aap verdwenen is, lopen we terug naar de boot. Die avond besluiten we langer te blijven. De zoon van onze buren van de Maaike Saadet komt naar Suriname en ze willen hem graag laten meegenieten van de natuur hier. Het is nu dinsdag en hij komt zondag aan, samen met een vriendin. Op de kaart zien we dat Moengo een grote plaats is. Daar zouden we de bezoekers kunnen ophalen. We zijn er al vlakbij. Hier kunnen we niet verder varen; vlak voor Moengo ligt een lage brug over de rivier.

Moengo blijkt veel groter dan we dachten. We leggen de bijboot vast aan een boom en wandelen langs de markthal, verschillende scholen, supermarkten en groente- en fruitkramen. In Moengo is een kunsteducatieproject voor jongeren, de Tembe Art Studio. Langs de kant van de weg staan diverse kunstprojecten.

Zwetend, het is best warm, lopen we de lange weg af tot de internetwinkel. Wij van de Linde hebben een Telesur simkaart en de Maaike Saadet heeft Digicell. Wij hebben vrijwel de gehele tocht internet gehad en zij niet. Een tip voor toekomstige reizigers die het ook leuk vinden om vrienden bijna live hun expedities te laten meemaken via de app 🙂 .

We slaan even een paar dagen over, want het verhaal wordt erg lang. Ik wil nog graag de spannendste tocht beschrijven. We wilden niet in Moengo blijven tot zondag, omdat we naast een fabriek lagen met schijnwerpers op de boot. We zochten weer een zijriviertje om ons anker uit te gooien. Van anderen hadden we gehoord dat je in het donker met zaklampen langs de oever moest schijnen, dan zou je de ogen van kaaimannen zien oplichten. Gehuld in muggenproof kleding stapten we in de bijboot, met hoofdlampen, zaklampen en de duiklamp. De kreek waar we in gingen werd rap smaller. Vleermuizen schoten voor ons langs. Takken kraakten, cicaden tsjierpten, een spin viel in de bijboot. Ik zat al gauw niet meer op de rand van de boot, maar op de bodem tegen Hans’ benen aan. Overal zag ik beestjes en voelde ik takjes tegen me aan zwiepen. Takken waarop ook weer veel beestjes zaten. Nog nauwer werd het kreekje. Ik vond het niet meer leuk! Oh, dat zei ik hardop. Ik geloof dat er meer mensen waren die het wel prima vonden om terug te gaan… Bij daglicht herhaalden we de tocht, en zagen hoe mooi het hier was. We hebben geen kaaimannen gezien, maar zo was het ook spannend genoeg!

Inmiddels zijn we met zijn zessen op weg naar Tamarin. Morgen sta ik voor de klas! De les is voorbereid, de spullen bij elkaar gezocht (zeekaarten, kompas, plotter etc.). Ook spannend hoor! Nu ga ik buiten zitten en kijken of er nog apen zijn. Hans heeft ze al gezien. Ja, we blijven nóg langer in Suriname… Het is hier te mooi om weg te gaan!!!

4 thoughts on “Op expeditie

  1. Wat is het daar mooi. Begrijpelijk dat jullie hier niet weg komen. Geniet ervan. Veel succes en plezier morgen met de les aan de kindjes. Ben benieuwd hoe dat gaat verlopen. Dikke knuffel en 💋 💋 💋 van ons.

Geef een reactie